Kater
Fikkie
“Hij droomt�, zegt het vrouwtje. Ze heeft het over mij, alsof ik er niet bij ben. Mensen snappen niets van honden. Denken dat je slaapt en zelfs droomt, terwijl ik klaarwakker ben. Waakhond meneertje. Goed, ik lig in mijn mand. Ik doezel wat en maak af en toe een bromgeluidje, maar dat is honger, of jeuk of ouderdom. Waakhonden zijn dag en nacht op hun quivive. Geen insluiper komt eruit. Ook de postbode heeft aan een misverstandje mijnerzijds een heilig ontzag voor me overgehouden. Hij loopt nu een andere wijk. Ik waak dag en nacht over het vrouwtje. En toch zegt ze: “Hij droomt.� Nou ja. Kùnnen waakhonden dromen? Welzeker. Met dit verschil dat wij de gave hebben waken en dromen te kunnen combineren. Verder is weinig menselijks ons vreemd. Ik denk zelfs dat wij gevarieerder dromen dan mensen. De mens droomt over mensen en situaties. Honden dromen over mens èn dier en situaties. Als de baas me eens een schop heeft verkocht, ramt ie me in mijn dromen helemaal in elkaar. Nou schopt ie me nooit, maar ik bedoel maar. Lelijke streken van degenen van wie wij houden, komen in hondendromen veelvoudig versterkt terug. Dat worden nachtmerries. Over merries gesproken; dromen over dieren zijn heel ambivalent. Zo een droom kan heel agressief en gewelddadig zijn, òf heel teder, amoureus. Het is het één of het ander. Dromen over dieren zijn altijd extreem. Ik geef een voorbeeld. Hier in Petit Han wemelt het van de katten. Ik hou niet van katten en zeker niet van Waalse katten. Hoe zeg je het; gluiperig, stiekem en laf. Geef mij maar de Hollandse kat. Die rent tenminste weg als je achter ze aan zit. Behalve die ene keer dan, maar daar wil ik het niet over hebben. In België is de strijd tussen hond en kat nog erger dan de taalstrijd. Niet meedogenloos en recht voor zijn raap, maar treiterig, zuigend. Ik kan daar slecht tegen als hond van Westfriese boerenafkomst. Die Waalse katten in onze achtertuin geven mij het idee dat niet zìj de indringers zijn, maar ìk. Terwijl het toch echt ons landje is. Met eerlijke Hollandse guldens betaald. Niet teveel, dat geef ik toe, maar het is wel mìjn tuin. Daar hebben die Waalse inboorlingen niets te zoeken. Het is een mooi Hollands/koloniaal principe om baas in eigen gekochte tuin te willen zijn. In Nederlandsch Indië knalden wij de inlanders de kampong uit en dood. Van Heutz kreeg er een monument voor in Amsterdam-Zuid en kapitein Westerling een benzinepomp die werd geopend door prins Bernhard. Ik bedoel maar. Ook Waalse katten moeten hun plaats kennen ten opzichte van hun Hollandse bevrijders. Maar wat doen ze, als ik ze ruik en vervolgens zie. Ze blijven ijzerenheinig zitten als ik dreigend begin te blaffen en een aanloop neem om ze te verjagen. Via de tam-tam weten ze dat ik licht rheumatisch ben en niet meer zo snel ter been. Grijnzend wachten ze tot ik amechtig tot op twintig meter ben genaderd. De staarten strak omhoog loeren ze hautain uit hun lelijke gele ogen tot de afstand tien meter bedraagt. Dan schieten ze, triomfantelijk miauwend, een boom in. Daar staat dan deze koloniaal machteloos blaffend en grommend voor hi-ha-honden-lul. En druipt af. Maar in mijn droom die nacht sla ik genadeloos toe. Mijn grasveldje is dan bezaaid met Waalse kadavers. Kattenbeenderen en deerlijk verminkte schedels vormen het massagraf van mijn niets en niemand ontziende slachting onder de autochtone vijand. Gelukzalig word ik gewekt door het vrouwtje. “Hij droomt�, hoor ik haar zeggen. Dromen waaruit ik niet gewekt wens te worden, zijn de dromen over Yvette. Yvette is een lieflijk hondje uit Amsterdam-Oud Zuid. Een vrouwtje. ‘Teefje’ kan ik niet uit mijn bek krijgen. Te ordinair. Yvette is van goede komaf. Raszuiver. Iets Frans. Het baasje heeft het opgezocht in de Grote Toepoel. Dat soort honden zie je meer in het Vondelpark. Net als Maserati’s in de PC Hooftstraat. Yvette is speciaal. Niet hautain, maar afstandelijk. Nuffig, maar juist daarom zo aantrekkelijk. Bevallig zakt ze door de achterpootjes voor een plasje. Blikt in het oneindige bij een schattig poepje. Het dienstmeisje aan de andere kant van het riempje kijkt dan gegeneerd een andere kant op. Voor mij is Yvette onbenaderbaar. Ik, verwekt door een Labrador bij een Friese Stabij, ben in haar ogen een bastaard. Zoiets als het dienstmeisje dat haar uitlaat. Kroeskoppie, chocotof huidje. Allochtoontje. Ook zij wordt door Yvette genegeerd. Ik vraag me af wie wie uitlaat. Ik heb de moed niet Yvette te benaderen. Normaal steek ik onbekommerd mijn neus in iedere passerende anus, ongeacht geslacht. Maar bij Yvette ken ik mijn plaats. Kwijlend en snuivend sla ik haar van gepaste afstand gade. Hoe bevallig snuffelt zij aan een piepklein hondenpoepje van een Chihuahua uit de Oranje Nassaulaan. Hoe gracieus zakt ze door haar achterknietjes voor een minuscuul plasje. En dan haar schattige poepje! Vakkundig gedraaid als het toefje op een taartje van Kwekkeboom. Pas nadat Yvette koket trippelend het Vondelpark heeft verlaten, met achter haar haar allochtoontje, aan het met briljantjes bezette riempje, stuif ik als een dolle op Haar Goddelijke Poepje af. Snuif, snuif, snuif als een cokeverslaafde haar geparfumeerde fecaliën, tot het baasje me korzelig wegrukt van de heilige plaats waar het wonder geschiedde. Opgewonden slof ik achter de baas aan naar huis. Stoepje op, lift in, deur door, en plof op het voeteneind van het bed van de baas en het vrouwtje. Ik val in een diepe slaap en droom een gelukzalige roze droom. Hoe Yvette en ik elkaar teder beminnen. Hoe ze mij lichtjes likt aan mijn edele delen. Hoe ik haar manhaftig bescherm tegen Max en Sam, die druktemakers van beneden. Zwaar ademend zucht ik diep en kreun. “Hij droomt�, hoor ik het vrouwtje in de verte zeggen. Word ik me toch wakker met een kater!
